Val van uitzendkracht bij tijdelijke huisvesting: eigenaar vakantiepark aansprakelijk voor gebrekkige buitentrap

Een uitzendkracht die in tijdelijke woonruimte op een vakantiepark van een buitentrap viel, heeft bij de rechtbank Gelderland gelijk gekregen in een deelgeschil over aansprakelijkheid. De rechter oordeelt dat de trap bij de woning een gebrekkige opstal was in de zin van artikel 6:174 BW. Niet de uitzendorganisatie of een tussenschakel in de verhuurketen, maar de eigenaar van de woning blijft daarvoor aansprakelijk. Daarmee is dit een relevante uitspraak voor zaken over werkgeversaansprakelijkheid, huisvesting van arbeidsmigranten en letselschade door gebrekkige opstallen.

De zaak draait om een ongeval op 3 juli 2022. De man werkte als uitzendkracht en verbleef via zijn werk in een vakantiewoning in Maurik. Bij die woning bevonden zich twee stenen buitentrappen. Vaststaat dat hij van een van die trappen is gevallen en daarbij letsel heeft opgelopen. Volgens de rechtbank is voldoende duidelijk geworden dat het ging om de trap direct bij de toegangsdeur van de woning. Die vaststelling was van belang, omdat juist over die trap uitgebreid onderzoek was gedaan en daarover verklaringen en foto’s beschikbaar waren.

Tijdelijke woonruimte en aansprakelijkheid

In deze procedure voerde de eigenaar van het vakantiepark aan dat de zaak zich niet goed leende voor behandeling in deelgeschil. Volgens Waterparcs stond de feitelijke toedracht onvoldoende vast en zou eerst nadere bewijslevering nodig zijn. De rechtbank ging daar niet in mee. Juist omdat partijen in een impasse waren geraakt over aansprakelijkheid en causaal verband, kon een rechterlijk oordeel volgens de rechtbank bijdragen aan verdere buitengerechtelijke onderhandelingen. Daarmee past de uitspraak goed binnen het doel van de deelgeschilprocedure: het doorbreken van een blokkade in de schaderegeling zonder dat meteen een volledige bodemprocedure nodig is.

De rechtbank stelde vervolgens vast dat de man was gevallen van de trap bij de voordeur. Daarbij keek zij naar de verklaring van het slachtoffer zelf, de verklaring van een getuige en ook naar de manier waarop Waterparcs en Achmea zelf eerder over de zaak hadden gecorrespondeerd. Ook woog mee dat de verzekeraar juist naar deze trap een toedrachtsonderzoek had laten uitvoeren. Volgens de rechtbank waren de verschillen in schattingen over de hoogte van de val niet doorslaggevend, omdat het ging om globale inschattingen en niet om exacte metingen.

Waarom de trap als gebrekkige opstal werd gezien

De kern van de uitspraak zit in het oordeel dat de trap gebrekkig was. Uit het dossier bleek dat sprake was van een oude stenen trap met scheuren, ongelijke treden, afgebroken delen en volgens het onderzoek van Achmea ook een losliggende steen. Daarnaast lagen er meerdere getuigenverklaringen waarin de trap werd omschreven als instabiel, brokkelig, versleten en gevaarlijk. De rechtbank keek niet alleen naar één loszittende steen, maar naar de toestand van de trap als geheel.

Dat is juridisch van belang. Bij de beoordeling van artikel 6:174 BW gaat het om de vraag of een opstal, gelet op het te verwachten gebruik, voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Volgens de rechtbank was dat hier niet het geval. De trap vormde een groter valrisico dan normaal mag worden verwacht van een toegangstrap bij een woning.

Daarbij speelde mee dat het ging om kortdurende verhuur. Bewoners van zulke tijdelijke huisvesting zijn doorgaans niet vertrouwd met de situatie ter plaatse en kunnen minder goed anticiperen op specifieke gebreken zoals ongelijke of beschadigde treden. Daarom mochten aan de veiligheid van deze trap juist hogere eisen worden gesteld.

Ook het argument dat niet vaststond of de losliggende steen er op de datum van het ongeval al lag, hielp Waterparcs niet. De rechtbank overwoog dat de eigenaar er zelf voor had gekozen de trap pas acht maanden na het ongeval te laten onderzoeken. Eventuele onduidelijkheden die daardoor waren ontstaan, kwamen daarom voor rekening van de eigenaar.

Geen verschuiving van aansprakelijkheid naar huurder of uitzendorganisatie

Een belangrijk juridisch discussiepunt was vervolgens of de aansprakelijkheid misschien niet bij de eigenaar, maar bij een bedrijfsmatig gebruiker van de woning lag. Waterparcs beriep zich daarvoor op artikel 6:181 BW. De woning was immers verhuurd aan een tussenpartij, die weer had onderverhuurd aan de uitzendorganisatie, die de woning vervolgens gebruikte voor huisvesting van de uitzendkracht.

De rechtbank wees dat verweer af. Volgens de rechter hield het ontstaan of bestaan van het gebrek aan de trap geen verband met de bedrijfsuitoefening van die tussenschakels. Het ging om een normaal bouwkundig gebrek en niet om een gebrek dat was ontstaan door een specifieke manier van bedrijfsmatig gebruik. Bovendien bleef Waterparcs zelf eindverantwoordelijk voor de staat en veiligheid van het pand. Uit het onderzoeksrapport bleek dat de eigenaar gebreken moest laten herstellen en ook zelf zeggenschap hield over de opstal. Daarmee bleef de kwalitatieve aansprakelijkheid rusten op de eigenaar van de woning.

Dat oordeel is van praktisch belang voor letselschadezaken rond huisvesting van arbeidsmigranten en uitzendkrachten. In de praktijk wordt aansprakelijkheid regelmatig doorgeschoven tussen eigenaar, verhuurder, tussenhuurder en werkgever. Deze uitspraak laat zien dat de rechter scherp kijkt naar de vraag waar de feitelijke zeggenschap over het gebrek lag en of het gebrek werkelijk verband hield met de bedrijfsuitoefening van een ander.

Welke schadevergoeding is toegewezen?

De rechtbank verklaarde voor recht dat Waterparcs aansprakelijk is voor het ongeval van 3 juli 2022. Daarnaast zijn Waterparcs en Achmea hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van de materiële en immateriële schade van de uitzendkracht. De exacte omvang van die letselschade is in deze procedure nog niet vastgesteld, maar de aansprakelijkheid en de verplichting tot schadevergoeding staan nu wel vast.

Ook over de kosten van het deelgeschil besliste de rechtbank. Die werden begroot op 8.183,91 euro, inclusief griffierecht. Ook dat bedrag moeten Waterparcs en Achmea hoofdelijk betalen. Daarmee heeft de verzoeker in deze procedure dus niet alleen een oordeel over aansprakelijkheid gekregen, maar ook een toewijzing van zijn proceskosten in het deelgeschil.

Belang voor de letselschadepraktijk

Deze uitspraak is relevant omdat zij laat zien dat gebrekkige huisvesting van uitzendkrachten niet alleen arbeidsrechtelijke of contractuele vragen oproept, maar ook direct kan leiden tot aansprakelijkheid van de eigenaar op grond van opstalaansprakelijkheid. Zeker bij tijdelijke woonruimte mogen hoge eisen worden gesteld aan de veiligheid van toegangswegen, trappen en andere essentiële onderdelen van de woning. Als die veiligheid tekortschiet en een bewoner loopt letsel op, kan de eigenaar daarvoor rechtstreeks aansprakelijk zijn.

Voor de letselschadepraktijk is daarnaast van belang dat de rechtbank de zaak geschikt achtte voor behandeling in deelgeschil. Daarmee bevestigt deze beschikking dat ook complexe aansprakelijkheidsvragen rondom gebrekkige opstallen binnen een deelgeschil kunnen worden beslist, zolang dat de buitengerechtelijke afwikkeling van de schade dichterbij brengt.