Smartengeld en bijstand: Arnhem mocht €65.000 niet als vermogen meetellen

Wie smartengeld ontvangt na ernstig letsel, verwacht dat dit geld bedoeld is om het leven met blijvende klachten draaglijker te maken. Toch kan er een tweede discussie ontstaan: mag de gemeente smartengeld aanmerken als vermogen, met als gevolg dat de bijstandsuitkering wordt ingetrokken? In een uitspraak van 20 januari 2026 heeft de Centrale Raad van Beroep daar een duidelijke streep door gezet in een zaak tegen de gemeente Arnhem. In deze uitleg van Letselschade Advocaat Laseur lees je wat er precies speelde, waarom Arnhem de bijstand introk, en waarom de hoogste bestuursrechter uiteindelijk oordeelde dat het volledige smartengeld buiten beschouwing had moeten blijven. 

Achtergrond: medische fout, blijvend letsel en een vaststellingsovereenkomst 

De zaak draait om een stel dat al jaren bijstand ontvangt op grond van de Participatiewet, naar de norm voor gehuwden. De vrouw liep helaas ernstig en blijvend letsel op door een medische fout: na een hartinfarct werd de diagnose te laat gesteld.  

Jaren later kwam er een schaderegeling met de verzekeraar van het ziekenhuis. In een vaststellingsovereenkomst werd afgesproken dat zij in totaal €87.000 zou krijgen, waarvan €65.000 als immateriële schadevergoeding (smartengeld). De uitbetaling volgde op 4 maart 2021. 

Gemeentelijk beleid: 1/3 vrijlaten, 2/3 als vermogen 

Arnhem hanteerde een vaste gedragslijn: bij immateriële schadevergoedingen laat de gemeente één derde vrij en telt zij twee derde mee als vermogen. In de praktijk betekent dat: het smartengeld wordt (grotendeels) gezien als geld waar iemand van kan leven, net als spaargeld. 

Op basis van die benadering trok het college de bijstand van het stel in met ingang van 4 maart 2021 en beëindigde de uitkering per 30 augustus 2021. Ook werd bijstand over (een deel van) maart 2021 teruggevorderd. De redenering: door het meetellen van 2/3 van het smartengeld kwam het vermogen boven de vermogensgrens uit, waardoor er geen recht op bijstand meer was. 

Rechtbank: individuele afweging is verplicht 

De rechtbank oordeelde eerder al dat je als gemeente niet met standaardpercentages kunt werken zonder naar de persoonlijke situatie te kijken. De wet gaf het college beoordelingsruimte: alleen dat deel van een schadevergoeding mag meetellen als vermogen voor zover dat “uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord” is. Met andere woorden: je moet het concrete geval wegen. 

De rechtbank droeg Arnhem op om een nieuwe beslissing te nemen, mét een echte belangenafweging. Denk aan factoren zoals leeftijd, gezondheid, toekomstperspectief en het doel van het smartengeld. Toen Arnhem daarna toch bleef leunen op de vaste gedragslijn (en vooral het gelijkheidsargument: “zo doen we het altijd”), ging de rechtbank nog een stap verder: zij bepaalde dat de volledige immateriële schadevergoeding in dit geval buiten beschouwing moest blijven. Het Arnhemse stel had de rechtszaak gewonnen. Maar de gemeente ging wel in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB). 

CRvB: volledige vrijlating, ondanks correctie van één punt 

In hoger beroep komt de CRvB tot dezelfde kernuitkomst: Arnhem had het smartengeld niet (deels) als vermogen mogen aanmerken. De Raad maakt daarbij twee punten helder. 

  • Geen automatisme met vaste percentages
    De 1/3–2/3-verdeling kan niet als standaard worden toegepast zonder individuele afweging. De gemeente kan wel beleid hebben, maar dat beleid mag de wettelijke beoordelingsruimte niet ‘dichttimmeren’. Het college moet zichtbaar en inhoudelijk motiveren waarom het in dit specifieke geval verantwoord is om (een deel van) het smartengeld mee te tellen. 
  • Smartengeld is bedoeld voor het resterende leven bij blijvend letsel
    De CRvB sluit aan bij eerdere rechtspraak: een immateriële letselschadevergoeding is in beginsel bedoeld om gedurende het resterende leven steeds een tegemoetkoming te bieden voor de gevolgen van blijvend letsel. Het is geen inkomensaanvulling en ook geen ‘bonus’ die je eerst moet opmaken vóórdat bijstand mogelijk is. 

De Raad corrigeert wel één element uit de rechtbankuitspraak. De rechtbank was uitgegaan van een lagere eindleeftijd (75 jaar) vanwege de medische situatie, maar daar was volgens de CRvB geen medische onderbouwing voor. Daarom moest worden gerekend met de statistische eindleeftijd voor vrouwen: 86,3 jaar. 

De CRvB rekent voor: De vrouw was 42 jaar en 10 maanden oud ten tijde van de medische fout. Met een statistische eindleeftijd van 86,3 jaar moet zij met €65.000 een periode van 43 jaar en vijf maanden overbruggen. Dat komt neer op afgerond €1.498 per jaar, oftewel ongeveer €125 per maand. Gezien die beperkte ‘ruimte’, en gezien de aard en bestemming van smartengeld bij blijvend letsel, kon Arnhem volgens de Raad niet redelijkerwijs zeggen dat vrijlating onverantwoord was. Conclusie: het hele bedrag had moeten worden vrijgelaten. De intrekking, beëindiging en terugvordering van de bijstand waren onterecht. Al met al een flinke tik op de vingers voor de gemeente Arnhem. 

Waarom deze uitspraak relevant is voor mensen met letsel én bijstand 

Deze uitspraak geeft houvast voor situaties waarin smartengeld en bijstand elkaar raken. Gemeenten mogen niet volstaan met een vaste rekensom of een standaardpercentage. Er moet worden gekeken naar de concrete betekenis van het smartengeld in het leven van iemand met blijvend letsel. Zeker als het bedrag neerkomt op een relatief bescheiden maandbedrag, omgerekend naar een levenslange bestemming, ligt volledige vrijlating eerder in de rede.