Een politieachtervolging kan grote risico’s met zich meebrengen. Voor de verdachte of bestuurder die wordt achtervolgd, voor andere weggebruikers, voor omstanders en voor de politie zelf. Als daarbij een ongeval ontstaat en iemand ernstig letsel oploopt, rijst al snel de vraag: kan de politie aansprakelijk worden gehouden voor de schade?
Die vraag is juridisch ingewikkeld. Politieagenten mogen onder omstandigheden verder gaan dan gewone verkeersdeelnemers. Zij mogen bijvoorbeeld met zwaailicht en sirene rijden, een stopteken geven en een achtervolging inzetten. Tegelijkertijd moeten zij ook rekening houden met de verkeersveiligheid en mogen zij geen onnodige of onverantwoorde risico’s nemen.
Een recente zaak over een motorrijder die in Breda ernstig letsel opliep na een korte achtervolging laat zien dat aansprakelijkheid van de politie niet snel wordt aangenomen. Zelfs bij zeer ernstig letsel is beslissend of het politieoptreden onrechtmatig was én of het ongeval daardoor is veroorzaakt.
Bij een ongeval na een politieachtervolging kunnen verschillende scenario’s spelen. Soms botst een politievoertuig met een andere weggebruiker. Soms raakt een achtervolgde bestuurder zelf van de weg. Soms wordt een onschuldige derde geraakt door de achtervolgde auto of motor. In al die situaties kan de juridische beoordeling anders uitpakken.
De belangrijkste vragen zijn meestal:
Een achtervolging is dus niet automatisch onrechtmatig. Maar de politie heeft wel een zware verantwoordelijkheid, juist omdat een achtervolging verkeersrisico’s kan vergroten.
In de zaak die als voorbeeld dient, ging het om een motorrijder die in de nacht van 29 mei 2022 in Breda ernstig gewond raakte. De politie wilde hem controleren na een melding over onnodig gasgeven en geluidsoverlast. De motorrijder reed op een BMW S1000RR met Frans kenteken.
Volgens de rechtbank stond vast dat de politie op enig moment een stopteken gaf. De motorrijder stopte niet. Daarop zette de politie de achtervolging in en gebruikte zij optische en geluidssignalen. De politieauto reed tijdens de korte achtervolging gedurende ongeveer vier seconden met een pieksnelheid van 105 kilometer per uur. Nadat het kenteken van de motor was gelezen, nam de snelheid van de politieauto af.
Kort daarna ging de motorrijder in een bocht onderuit en botste hij tegen een geparkeerde auto. Hij liep ernstig letsel op. De motorrijder stelde de politie en de WAM-verzekeraar van het politievoertuig aansprakelijk voor zijn schade.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant wees de vorderingen af. Volgens de rechtbank was niet gebleken dat de politie onrechtmatig had gehandeld of dat het ongeval door het rijgedrag van de politie was veroorzaakt.
De rechtbank keek in deze zaak vooral naar de oorzaak van het ongeval. Volgens de rechtbank was de motorrijder gevallen doordat hij met te hoge snelheid een bocht naderde en bij het remmen onderuitging. Er was geen botsing met de politieauto. Ook was niet gebleken dat de motorrijder moest uitwijken om een aanrijding met de politie te voorkomen.
Daarom was volgens de rechtbank geen sprake van schuld van de bestuurder of bijrijder van de politieauto in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet. Ook artikel 5 Wegenverkeerswet, dat ziet op gevaar of hinder op de weg, was volgens de rechtbank niet geschonden.
De motorrijder stelde dat de politie hem had opgejaagd. Ook dat argument slaagde niet. Uit verklaringen en bodycambeelden bleek volgens de rechtbank dat de achtervolging relatief kort duurde. Nadat de politie het kenteken had gelezen, verminderde de politieauto snelheid en liep de motor juist uit op de politieauto. Kort daarna vond het ongeval plaats.
De rechtbank vond het verloop tragisch, zeker gezien de geringe aanleiding van vermeend motorgeluid. Juridisch was dat echter niet genoeg om aansprakelijkheid aan te nemen.
Bij politieachtervolgingen spelen verschillende normen een rol. Allereerst gelden de algemene verkeersregels uit de Wegenverkeerswet. Artikel 5 WVW verbiedt gevaarzettend of hinderlijk gedrag op de weg. Artikel 6 WVW ziet op verkeersongevallen die aan schuld van een verkeersdeelnemer te wijten zijn.
Daarnaast gelden specifieke regels voor het gebruik van optische en geluidssignalen, zoals zwaailicht en sirene. Ook zijn er interne richtlijnen en kaders voor politieoptreden, waaronder brancherichtlijnen en richtinggevende kaders voor achtervolgingen.
Schending van zo’n richtlijn betekent niet automatisch dat de politie civielrechtelijk aansprakelijk is. Een richtlijn kan wel een belangrijke aanwijzing zijn bij de beoordeling of zorgvuldig is gehandeld. De rechter kijkt daarbij naar alle omstandigheden van het geval.
In de Bredase zaak voerde de motorrijder aan dat de politie had gehandeld in strijd met de Brancherichtlijn Politie 2021 en andere kaders. De rechtbank vond dat niet doorslaggevend. Volgens de rechtbank mocht de politie in de gegeven omstandigheden een stopteken geven, een achtervolging inzetten en zwaailicht en sirene gebruiken. Daarbij woog mee dat de motorrijder niet stopte, dat het donker was en dat de politie het kenteken wilde vaststellen.
Zelfs als politieoptreden niet volledig volgens de regels verloopt, betekent dat nog niet automatisch dat de politie alle letselschade moet vergoeden. Er moet ook causaal verband zijn tussen het politieoptreden en het ongeval.
Dat is vaak de kern van dit soort zaken. Het slachtoffer moet aannemelijk maken dat het ongeval is ontstaan door het handelen van de politie. Bijvoorbeeld doordat de politieauto te dicht op de achtervolgde bestuurder reed, een gevaarlijke manoeuvre uitvoerde, een botsing veroorzaakte of de bestuurder in een situatie bracht waarin uitwijken of hard remmen noodzakelijk was.
Als het ongeval vooral wordt veroorzaakt door het eigen rijgedrag van de achtervolgde bestuurder, ligt aansprakelijkheid van de politie minder voor de hand. Dat was in de Bredase zaak doorslaggevend. De rechtbank zag geen directe verkeersfout van de politie die het ongeval had veroorzaakt.
Een bestuurder die een stopteken negeert en met hoge snelheid doorrijdt, neemt zelf een groot risico. Die eigen verantwoordelijkheid weegt zwaar in de civiele beoordeling. Dat geldt zeker als de bestuurder door zijn eigen snelheid, remgedrag of stuurgedrag ten val komt.
Dat betekent niet dat de politie daarna alles mag doen. Ook bij een vluchtende verdachte blijft de politie verantwoordelijk voor proportioneel en zorgvuldig optreden. Maar de keuze om niet te stoppen en met hoge snelheid door te rijden kan wel maken dat de schade juridisch voor rekening van de bestuurder blijft.
In letselschadezaken wordt dit vaak besproken onder de noemer eigen schuld. Als de politie wél gedeeltelijk aansprakelijk is, kan de schadevergoeding alsnog worden verminderd omdat het slachtoffer zelf aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen.
Aansprakelijkheid van de politie is zeker niet uitgesloten. Denkbaar is dat de politie aansprakelijk is als agenten onnodig gevaarlijk rijden, een achtervolging voortzetten terwijl de risico’s voor derden te groot worden, zonder noodzaak zeer hoge snelheden rijden in een drukke omgeving, onvoldoende afstand houden, een gevaarlijke manoeuvre uitvoeren of een aanrijding veroorzaken.
Ook kan aansprakelijkheid aan de orde zijn als de politie in strijd met duidelijke veiligheidsvoorschriften handelt en daardoor een ongeval ontstaat. Zeker wanneer een onschuldige derde wordt geraakt, zal de beoordeling anders kunnen zijn dan wanneer de achtervolgde bestuurder zelf doorrijdt en onderuitgaat.
De rechter zal steeds kijken naar de concrete omstandigheden. Daarbij zijn onder meer relevant: de ernst van de verdenking, het verkeersbeeld, het tijdstip, de snelheid, de duur van de achtervolging, het gebruikte politievoertuig, de communicatie met de meldkamer, de zichtbaarheid, het gebruik van signalen en de risico’s voor andere weggebruikers.
Bij politieachtervolgingen kunnen ook onschuldige derden letsel oplopen. Denk aan fietsers, voetgangers, automobilisten of passagiers die worden aangereden door een vluchtende bestuurder of betrokken raken bij een botsing met een politievoertuig.
Voor deze groep kan de juridische positie anders zijn. Een onschuldige derde heeft zelf meestal niet bijgedragen aan het ontstaan van de gevaarlijke situatie. Dan zal eerder worden gekeken naar de aansprakelijkheid van de vluchtende bestuurder, de WAM-verzekeraar van diens voertuig, het Waarborgfonds Motorverkeer als het voertuig onbekend of onverzekerd is, of mogelijk de politie als het politieoptreden onrechtmatig was.
Als een politievoertuig zelf bij de aanrijding betrokken is, kan ook de WAM-verzekeraar van dat voertuig een rol spelen. De vraag blijft dan wel of het politievoertuig juridisch gezien schadeveroorzakend was.
Zaken over politieachtervolgingen zijn vaak sterk afhankelijk van bewijs. Belangrijk kunnen zijn:
In de Bredase zaak speelden verklaringen, beelden en het verloop van de achtervolging een belangrijke rol. De rechtbank keek nauwkeurig naar de vraag of sprake was van opjagen, of de politieauto gevaarlijk dicht bij de motor reed en waardoor de val daadwerkelijk was ontstaan.
Voor slachtoffers is het daarom belangrijk om zo snel mogelijk bewijs veilig te stellen. Beelden kunnen verdwijnen en herinneringen kunnen vervagen. Een gespecialiseerde belangenbehartiger kan helpen om relevante stukken op te vragen en te beoordelen.
Na ernstige incidenten met politieoptreden kan strafrechtelijk onderzoek plaatsvinden, bijvoorbeeld door de Rijksrecherche. Als het Openbaar Ministerie besluit om agenten niet te vervolgen, betekent dat niet automatisch dat civiele aansprakelijkheid uitgesloten is. Strafrecht en civiel recht hebben verschillende beoordelingskaders.
Wel kan een strafrechtelijk onderzoek veel relevante informatie opleveren. In de Bredase zaak had de Rijksrecherche onderzoek gedaan en besloot het Openbaar Ministerie geen strafvervolging in te stellen. Ook een beklagprocedure bij het gerechtshof leidde niet tot vervolging. De civiele rechter maakte vervolgens een eigen beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag.
Een slachtoffer kan dus civielrechtelijk procederen, ook als strafrechtelijke vervolging uitblijft. Maar de uitkomsten en bevindingen uit het strafrechtelijk traject kunnen wel van invloed zijn op de bewijspositie.
In letselschadezaken kan een deelgeschilprocedure worden gestart om een vastgelopen discussie over aansprakelijkheid of schade vlot te trekken. Ook in de Bredase zaak ging het om een deelgeschil.
De rechtbank wees het verzoek om aansprakelijkheid vast te stellen af. Ook de vergoeding van buitengerechtelijke kosten werd niet toegewezen, omdat aansprakelijkheid niet vaststond. Wel begrootte de rechtbank de kosten van het deelgeschil. Dat moet ook gebeuren als het verzoek wordt afgewezen, tenzij de procedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld.
Dat laatste is relevant. Het feit dat een slachtoffer de zaak verliest, betekent niet automatisch dat het onredelijk was om de vraag aan de rechter voor te leggen. Zeker bij ernstig letsel en discussie over politieoptreden kan er voldoende belang zijn bij een rechterlijk oordeel.
Letselschade na politieoptreden is juridisch complex. Het gaat om verkeersrecht, overheidsaansprakelijkheid, WAM-aansprakelijkheid, bewijsrecht, causaliteit en soms ook strafrechtelijke stukken. Daarnaast is de emotionele lading vaak groot, zeker als het letsel ernstig is en het slachtoffer vindt dat de politie anders had moeten handelen.
Een gespecialiseerde advocaat kan beoordelen tegen wie de claim moet worden gericht, welke grondslag kansrijk is, welke stukken nodig zijn en of een deelgeschilprocedure zinvol is. Ook kan hij of zij inschatten of de discussie vooral draait om onrechtmatigheid, causaliteit, eigen schuld of de omvang van de schade.
Bij ernstige letselschade is het verstandig om een LSA-advocaat in te schakelen die ervaring heeft met complexe verkeersongevallen en overheidsaansprakelijkheid. Zeker als er sprake is van blijvend letsel, verlies aan verdienvermogen of hoge zorgkosten, kan de juridische beoordeling grote financiële gevolgen hebben.
De politie is niet automatisch aansprakelijk voor letselschade die ontstaat na een achtervolging. Ook niet als het letsel ernstig is en de aanleiding voor de achtervolging achteraf beperkt lijkt. Beslissend is of de politie onrechtmatig heeft gehandeld en of dat handelen het ongeval heeft veroorzaakt.
De Bredase zaak laat zien dat rechters nauwkeurig kijken naar de concrete feiten: de aanleiding voor de controle, het stopteken, de duur van de achtervolging, de snelheid, het gebruik van zwaailicht en sirene, het gedrag van de achtervolgde bestuurder en de directe oorzaak van het ongeval. Als het ongeval vooral wordt veroorzaakt door het eigen rijgedrag van de achtervolgde bestuurder, zal aansprakelijkheid van de politie niet snel worden aangenomen.
Tegelijkertijd blijft politieoptreden tijdens achtervolgingen aan juridische grenzen gebonden. Als agenten onverantwoord rijden, onnodig risico’s nemen of een ongeval veroorzaken, kan aansprakelijkheid wel degelijk aan de orde zijn. Elke zaak vraagt daarom om een zorgvuldige analyse van de feiten, het bewijs en de toepasselijke normen.