Wanneer iemand overlijdt na een medische behandeling, kunnen nabestaanden met indringende vragen achterblijven. Is er goed gehandeld? Zijn signalen serieus genomen? Had de zorgverlener anders moeten ingrijpen? En als er mogelijk sprake is van een medische fout, hoe kan een nabestaande dat dan onderzoeken als het medisch dossier niet wordt verstrekt?
Die vragen spelen ook in een recente zaak bij de rechtbank Limburg. De vader van een overleden vrouw verzocht om benoeming van een psychiatrisch deskundige, omdat hij wilde laten onderzoeken of de GGZ-instelling tekort was geschoten in de behandeling van zijn dochter. De rechtbank wees het verzoek om een deskundigenonderzoek toe. Tegelijkertijd kreeg de vader, zijn advocaat en zelfs zijn medisch adviseur geen inzage in het volledige medische dossier van zijn dochter. Dat dossier hoeft de instelling alleen aan de deskundige te verstrekken.
Die uitkomst roept vragen op. Niet alleen juridisch, maar ook praktisch. Want hoe kan een nabestaande effectief deelnemen aan een deskundigenonderzoek als de wederpartij wél over alle medische stukken beschikt, maar de nabestaande niet?
Het medisch beroepsgeheim eindigt niet bij overlijden
Het uitgangspunt in het medisch recht is dat het medisch beroepsgeheim ook na het overlijden van de patiënt blijft gelden. Zorgverleners mogen medische informatie dus niet zomaar delen met familieleden of andere nabestaanden. Ook een overleden patiënt heeft dus recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.
Toch is dat uitgangspunt niet absoluut. Sinds 2020 is in de wet geregeld wanneer nabestaanden recht kunnen hebben op inzage in het medisch dossier van een overleden patiënt. Die regeling staat in artikel 7:458a BW.
In grote lijnen zijn er vier situaties waarin inzage mogelijk is:
In letselschadezaken draait het vaak om de derde grond: het zwaarwegend belang. Een louter emotioneel belang is volgens de wetgever niet genoeg. Maar een concreet vermoeden van een medische fout kan wel een zwaarwegend belang opleveren. De nabestaande moet dat vermoeden dan voldoende onderbouwen.
De zaak tegen de GGZ-instelling
In de zaak bij de rechtbank Limburg ging het om een vrouw die in behandeling was geweest bij een GGZ-instelling vanwege psychische problematiek. Ze overleed in september 2022 door suïcide. Haar vader stelde de instelling aansprakelijk. Volgens hem had de instelling onder meer onjuiste diagnoses gesteld, verkeerde behandelingen ingezet, onjuiste medicatie voorgeschreven, onvoldoende gehoor gegeven aan noodkreten en onvoldoende gehandeld naar aanleiding van second opinions van medisch specialisten.
De vader vroeg de rechtbank om een psychiatrisch deskundige te benoemen. Die deskundige moest onderzoeken of de GGZ-instelling had gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener mocht worden verwacht. Daarnaast vroeg de vader om afgifte van het volledige medische dossier van zijn dochter, inclusief het dossier van de crisisdienst.
Dat verzoek was niet alleen bedoeld om de deskundige zijn werk te laten doen. De vader wilde ook waarborgen dat zijn advocaat of medisch adviseur kon controleren of het dossier compleet was en dat beide partijen over dezelfde informatie beschikten. Ook wilde hij het dossier kunnen gebruiken om gerichte vragen aan de deskundige te formuleren.
De rechtbank wees het deskundigenonderzoek toe. De instelling moet het volledige dossier aan de deskundige geven. Maar het verzoek om het dossier ook aan de vader, zijn advocaat of zijn medisch adviseur te verstrekken, werd afgewezen.
Waarom de rechtbank inzage weigerde
De rechtbank erkende dat er “het begin van een vermoeden van een medische fout” aanwezig was. Daarmee zou sprake kunnen zijn van een zwaarwegend belang. Toch vond de rechtbank inzage niet noodzakelijk. Daarbij speelde mee dat de dochter bij leven geen toestemming had gegeven voor inzage in haar dossier, hoewel haar daarom was gevraagd. Verder vond de rechtbank belangrijk dat de GGZ-instelling bereid was het volledige dossier aan de deskundige te geven. Volgens de rechtbank waren de belangen van de vader daarmee voldoende gewaarborgd.
Ook het argument dat de vader het dossier nodig had om vragen aan de deskundige te formuleren, overtuigde de rechtbank niet. De vader verkeerde volgens de rechtbank niet in de “absolute onmogelijkheid” om zonder het volledige dossier vragen te formuleren over het handelen van de instelling en de behandeling van zijn dochter. Bovendien konden partijen later nog opmerkingen maken, verzoeken aan de deskundige richten en reageren op het conceptrapport.
Juist die redenering van de rechtbank wringt.
Een ongelijke procespositie
De beslissing van de rechtbank is begrijpelijk vanuit het medisch beroepsgeheim. Maar vanuit het perspectief van een zorgvuldig en evenwichtig deskundigenonderzoek is de uitspraak problematisch.
De vader moet kennelijk genoegen nemen met vragen die hij kan formuleren zonder kennis van het volledige dossier. Hij kan vragen stellen over thema’s waarvan hij vermoedt dat ze relevant zijn, maar hij weet niet welke concrete behandelnotities, crisiscontacten, medicatiewijzigingen, risicotaxaties of interne afwegingen in het dossier staan. Daardoor kan hij zijn vragen niet werkelijk toespitsen op de inhoud van het dossier.
Dat is niet alleen onbevredigend, maar ook processueel kwetsbaar. Een deskundigenonderzoek is immers niet zomaar een vrijblijvend onderzoek. De uitkomst kan in een latere aansprakelijkheidsprocedure van doorslaggevend belang zijn. Als de deskundige concludeert dat de GGZ-instelling zorgvuldig heeft gehandeld, wordt het voor de nabestaanden aanzienlijk moeilijker om hun zaak nog rond te krijgen.
Het probleem is dat de instelling wél over alle onderliggende stukken beschikt. Als de deskundige een voor de GGZ-instelling ongunstig conceptrapport opstelt, kan de instelling gericht reageren. Zij kan verwijzen naar specifieke dossierstukken, aanvullende context geven, vragen stellen over concrete passages en erop wijzen als de deskundige bepaalde informatie verkeerd heeft begrepen.
De nabestaanden kunnen dat niet in dezelfde mate. Als het conceptrapport voor hen ongunstig is, weten zij niet of de deskundige alle relevante stukken heeft gezien, of bepaalde informatie juist is geïnterpreteerd en of de conclusies logisch volgen uit het dossier. Zij kunnen wel reageren, maar missen de basis om de juistheid en volledigheid van het rapport inhoudelijk te controleren.
Daarmee ontstaat een ongelijk speelveld: de zorginstelling kan het deskundigenrapport toetsen aan het dossier, de nabestaanden niet. Dat maakt deze uitspraak van de rechtbank Limburg problematisch.
Het verschil tussen privacy en procesrechtvaardigheid
Het medisch beroepsgeheim verdient bescherming, zeker bij psychische hulpverlening. Een psychiatrisch dossier kan uiterst persoonlijke informatie bevatten, ook over derden. Het is dus niet vanzelfsprekend dat nabestaanden onbeperkt inzage krijgen in het volledige dossier.
Maar dat betekent niet dat de rechtbank slechts twee smaken had: óf volledige afgifte aan de vader, óf uitsluitend afgifte aan de deskundige. Er zijn tussenvormen denkbaar die beter recht doen aan beide belangen.
Zo had de rechtbank kunnen overwegen om inzage te geven aan een medisch adviseur onder geheimhoudingsplicht. Ook had kunnen worden gewerkt met gerichte inzage in relevante onderdelen van het dossier, bijvoorbeeld de stukken die zien op diagnostiek, suïciderisico, behandelbeleid, medicatie, crisiscontacten en communicatie rond de laatste dagen. Een andere mogelijkheid is dat de deskundige een overzicht verstrekt van de gebruikte dossierstukken, zodat controleerbaar is welke informatie aan het oordeel ten grondslag ligt.
Juist in een zaak waarin de rechtbank een deskundigenonderzoek noodzakelijk acht, is het moeilijk te volgen dat de nabestaanden geen serieuze mogelijkheid krijgen om de dossierbasis van dat onderzoek te controleren. De enkele toezegging van de zorginstelling dat zij het volledige dossier aan de deskundige zal geven, neemt de processuele ongelijkheid niet weg.
Waarom “absolute onmogelijkheid” een te strenge maatstaf is
De overweging dat de vader niet in de absolute onmogelijkheid verkeert om zonder dossier vragen te formuleren, is discutabel. De vraag zou niet moeten zijn of het volstrekt onmogelijk is om enige vraag te stellen. Natuurlijk kan een nabestaande algemene vragen formuleren. Bijvoorbeeld: was de diagnose juist, was het behandelplan passend, is het suïciderisico goed ingeschat en had eerder ingegrepen moeten worden?
Maar dat zijn brede vragen. De kern is juist of de nabestaande in staat is om relevante, gerichte en controleerbare vragen te stellen. Daarvoor is kennis van het dossier vaak essentieel.
In medische aansprakelijkheidszaken zit de beoordeling meestal in details: een specifieke notitie, een gemiste risicotaxatie, een wijziging in medicatie, een telefoongesprek, een waarschuwing van familie, een eerdere second opinion, een crisiscontact of het ontbreken van follow-up. Zonder dossierkennis kan een nabestaande niet beoordelen welke details moeten worden voorgelegd aan de deskundige.
De rechtbank legt de lat daarmee te hoog. Niet alleen absolute onmogelijkheid zou relevant moeten zijn, maar ook de vraag of zonder inzage nog sprake is van een effectieve, gelijkwaardige en controleerbare deelname aan het deskundigenonderzoek.
Recht op inzage blijft maatwerk
De uitspraak betekent niet dat nabestaanden nooit recht hebben op inzage in een medisch dossier. Artikel 7:458a BW biedt daarvoor juist een wettelijke basis. Wel laat deze zaak zien dat de rechter streng toetst of inzage noodzakelijk is. Een vermoeden van een medische fout is niet altijd genoeg. De nabestaande moet ook aannemelijk maken waarom kennisneming van het dossier nodig is om dat belang te behartigen.
In de praktijk is het daarom belangrijk om een verzoek om inzage zo concreet mogelijk te onderbouwen. Waarom bestaat er een vermoeden van een fout? Welke informatie ontbreekt? Waarom kan het deskundigenonderzoek niet goed worden voorbereid of gecontroleerd zonder inzage? Waarom is verstrekking aan een advocaat of medisch adviseur onder geheimhouding een minder ingrijpend alternatief dan verstrekking aan de nabestaande zelf?
Voor nabestaanden die een medische fout vermoeden, is dat geen eenvoudige opgave. Zij bevinden zich vaak in een afhankelijke positie: zij moeten uitleggen waarom het dossier nodig is, terwijl zij de inhoud van dat dossier juist niet kennen.
Belang voor overlijdensschadezaken
Voor de letselschadepraktijk is deze uitspraak relevant omdat zij laat zien hoe sterk het medisch beroepsgeheim kan doorwerken in overlijdenszaken. Nabestaanden kunnen een zwaarwegend belang hebben bij waarheidsvinding, maar toch geen inzage krijgen als de rechter vindt dat een deskundige het dossier kan beoordelen.
Dat is praktisch gezien een beperkte oplossing. Een deskundige kan het medisch handelen beoordelen, maar het deskundigenonderzoek is onderdeel van een juridische procedure. Partijen moeten de deskundige kunnen voeden, bevragen en controleren. Als één partij de onderliggende stukken kent en de andere partij niet, ontstaat het risico dat het rapport niet op gelijkwaardige wijze kan worden getoetst.
Dat is precies waarom deze uitspraak op dit punt dubieus is. Niet omdat privacy van de overleden patiënt onbelangrijk is, maar omdat procesrechtelijke gelijkheid óók zwaar weegt. Zeker wanneer een zorginstelling wordt verweten dat zij tekort is geschoten in de behandeling van een kwetsbare patiënt die door suïcide is overleden, moet worden voorkomen dat de nabestaanden in het bewijsproces feitelijk op achterstand worden gezet.
Conclusie
Nabestaanden hebben niet automatisch recht op inzage in het medisch dossier van een overleden slachtoffer. Het medisch beroepsgeheim blijft ook na overlijden bestaan en kan alleen onder voorwaarden worden doorbroken. Bij een vermoeden van een medische fout kan sprake zijn van een zwaarwegend belang, maar de nabestaande moet ook aannemelijk maken dat inzage noodzakelijk is.
De zaak tegen de GGZ-instelling laat zien dat die noodzakelijkheid streng wordt beoordeeld. De rechtbank vindt het voldoende dat het volledige dossier aan de deskundige wordt verstrekt. Daarmee blijft het dossier echter buiten bereik van de nabestaanden, hun advocaat en hun medisch adviseur.
Dat roept principiële vragen op. Wie het dossier niet kent, kan minder gericht vragen stellen, kan de volledigheid van de dossierverstrekking niet controleren en kan een voor hem ongunstig deskundigenrapport moeilijk toetsen aan de onderliggende informatie. De zorginstelling kan dat wel. Daardoor ontstaat een ongelijke processuele positie die in medische aansprakelijkheidszaken onwenselijk is.
Een betere benadering zou zijn om vaker te zoeken naar een evenwichtige tussenoplossing: bescherming van de medische privacy, maar wél voldoende inzage of controle voor een effectieve procespositie van nabestaanden. Waarheidsvinding en privacy hoeven elkaar niet uit te sluiten. Maar in deze zaak lijkt de balans te ver te zijn doorgeslagen in het nadeel van de nabestaanden.